Commando met Astma

Kort na de oorlog word Frits opgeroepen voor militaire dienst. Als hem gevraagd wordt of hij officier wil worden, dan weigert hij. Als officier duurt de dienstplicht een half jaar langer. En dat wil hij niet. Hij wil zo snel mogelijk terug naar het spoor. Zonder dat hij dit weet, wordt hij als communist te boek gesteld. Omdat hij de eed aan de koningin niet wil afleggen. Hij wordt ingedeeld bij de commando luchtvaart troepen. Daar vliegt hij één keer. Als ballast in het bom-ruim.

In het kader van de politionele acties, worden de commando luchtvaarttroepen uitgezonden naar Nederlands Indië. Ter voorbereiding koopt Frits een FN op de wapenmarkt in Luik. Dit pistool heeft het voordeel dan 9mm ammunitie van een stengun kan worden afgeschoten. De aankoop is een geheim advies van de peletonscommandant. Nodig om de kazerne te kunnen verlaten in Indië.

Uiteindelijk komt het bericht. Het peleton zal worden ingescheept. Het tropenuniform van zijn oom en andere bepakking wordt ingescheept. De laatste avond in Nederland wordt gevierd. In de wetenschap dat het maar de vraag is of de mannen van het peloton de oorlog in Indië zullen overleven, besluiten ze de bloemetjes buiten te zetten. De mannen gaan op stap en komen ruim nadat hun verlof is verlopen terug in de kazerne. Stomdronken. Met meer dan dertig man worden ze opgesloten in een cel die amper groot genoeg is voor twee.

Frits krijgt het stik benauwd. Een maat waarschuwt de bewakers. Snel wordt hij afgevoerd naar de ziekenboeg. Na een uitvoerig onderzoek, constateert de arts dat Frits een astma aanval heeft gehad. “Wil je naar Indië?” vraagt hij. “Niet om te vechten” antwoord Frits. Op basis van de astma en dit antwoord verklaart de arts Frits ongeschikt voor militaire dienst. De FN verkoopt Frits aan een kameraad. Het tropenuniform blijft aan boord.

Het loopt niet goed af met het peleton. Als commando luchtvaarttroepen worden ze gedropt boven vijandelijk gebied. Zonder enige training worden ze aan een parachute het vliegtuig uit gegooid. Statistieken leren dat geen training tot minder gewonden leidt dan slechte training. Ook de stenguns zijn niet betrouwbaar. Soms vuren ze naar achteren. Een groot aantal van het peleton sneuvelt tijdens de politionele acties.

Frits hoeft dit niet mee te maken, hij zwaait af. Gezien het vertrek naar de tropen, heeft oma van alle lange leger onderbroeken de pijpen afgeknipt. Ze moeten wel weer als lange onderbroek worden ingeleverd. Dus naait Oma de pijpen weer aan de onderbroeken. Frits levert ze in. “De pijpen zijn nog nieuw” betoogd hij. Maar dit kan de fourier niet overtuigen. Hij blijft bij zijn standpunt. Vernieling van rijkseigendom.

Mijn oma is geboren in Polen

 

Mijn oma is geboren in Polen. In Zgierz, 5 april 1894. Ze had twee geboorte data, want in die tijd hoorde dat deel van Polen bij Rusland. Op haar konfirmationsschein (bewijs van belijdenis/confirmatie) stond 5 april 1994 de datum van de Lutherse kerk, volgens de Gregoriaanse kalender. Op haar paspoort 24 maart 1894 de datum van de Russische overheid, volgens de Juliaanse kalender.

In de eerste wereldoorlog is ze gevlucht. Samen met haar zus, Jenny. In eerste instantie zochten zij hun toevlucht in het Ruhrgebied. Tegen het einde van de oorlog waren de omstandigheden daar slecht. En na de Duitse nederlaag, zijn ze uitgeweken naar Nederlan. Volgens mijn vader kwamen ze uit een rijke familie. Herenboeren. Door het oorlogsgeweld in Polen raakte hun vader alles kwijt. Dat zou nog een keer gebeuren. Vlak voor de eerste wereldoorlog woonde in Zgierz 5.500 mensen die Duits spraken en/of het lutherse geloof aanhingen. Na de eerste wereldoorlog waren dat er nog maar circa 2.500. Mijn oma en tante Jenny waren kennelijk niet de enige inwoners van Zgierz die naar elders zijn uitgeweken.

Beide zusters leerden in Amsterdam hun toekomstige man kennen. Voor Lydia was dat Frits. Frits Jacobus Klaasen, mijn opa. Na haar huwelijk gingen ze in 1921 wonen aan de Borssenburgstraat 20. Vol trots lieten ze een fotograaf hun huis vastleggen. Op een aantal van deze foto’s figureerden ze zelf. Op dit adres is ook mijn vader geboren.

Mijn oma is zich altijd Poolse blijven voelen. Ze hield van Flevoland. De uitgestrekte vlaktes van de Polder herinnerde haar aan Polen.

Toen de crisis zich aandiende verhuisde de familie Klaasen naar Leiden. Naar de Sitterlaan. In Leiden had opa werk. Hij was zetter. Het is hem niet gelukt de hele crisis aan de slag te blijven. Om deze reden moest Oma tijdens de crisis het geld verdienen als naaister. Achter de trapnaaimachine. Een Singer. Deze Singer staat nu als pronkstuk bij mij in de woonkamer.